Algemeen
1. Wat doet TMIJ en waarvoor is het verantwoordelijk?
Het samenwerkingsverband TMIJ heeft in 2008 een Ontwikkelingsperspectief opgesteld. Dit perspectief laat zien dat een duurzame investering in ecologische maatregelen in het Markemeer-IJmeer kansen biedt voor een verbetering van het leefklimaat van de Randstad, zonder wezenlijk verlies van natuurkwaliteit. In opdracht van Staatsecretaris Huizinga-Heringa is het Ontwikkelingsperspectief in 2009 verder uitgewerkt in een Toekomstbeeld. Er is onderzoek verricht naar ontwikkelingsvarianten, recreatie en financiën en de ecologische effectiviteit van de in het Ontwikkelingsperspectief voorgestelde maatregelen. Dit Toekomstbeeld is in september 2009 aangeboden aan Staatssecretaris Huizinga-Heringa.
2. Wat is de status van TMIJ / variantenstudie / recreatie?
Het Toekomstbeeld Markermeer-IJmeer is het resultaat van een verkenning en geen formeel ruimtelijk plan. Er worden geen onomkeerbare keuzes gemaakt: dat is aan het kabinet. In november 2009 heeft het kabinet in de RAAM-brief (Rijksbesluiten Amsterdam - Almere - Markermeer) geintegreerde besluiten genomen over alle RAAM-projecten. De realisatie van het door TMIJ in het Toekomstbeeld ontwikkelde Toekomstbestendig Ecologisch Systeem (TBES) voor Markermeer-IJmeer wordt in die brief als één van de doelen voor de komende jaren geformuleerd. Om die doelstelling te verwezenlijken is er een Werkmaatschappij TMIJ opgericht. Die zal zich de komende jaren bezighouden met de voorbereiding en uitvoering van de verschillende fases TBES. Het Samenwerkingsverband TMIJ zal als adviesgroep bij de Werkmaatschappij worden betrokken.
3. Hoe verhoudt TMIJ zich tot de RAAM-brief?
Vanwege de betekenis voor de Randstad maakt TMIJ deel uit van het programma Randstad Urgent. Hierin werken het rijk en decentrale overheden samen aan een verdere ruimtelijke en economische versterking van de Randstad. Vanwege de sterke onderlinge samenhang van vijf RU projecten heeft het kabinet de rijksbesluiten over deze projecten gebundeld aangeboden in een brief aan de Tweede kamer: de RAAM-brief. Met het Ontwikkelingsperspectief uit 2008 en het Toekomstbeeld uit 2009 heeft het Samenwerkingsverband TMIJ haar inbreng voor de RAAM-brief geleverd.
4. Wat kost die hele natuurontwikkeling en wanneer zou die klaar moeten zijn?
Omdat we nog niet precies hebben afgesproken hoeveel van welke natuur waar komt, is deze vraag niet met één antwoord klaar. Wel is er een idee over een orde van grootte die nodig is en dat zou dan ongeveer 1 miljard incl BTW moeten kosten. Dit bedrag ligt nog niet vast, want meer maatregelen maken het duurder en minder maatregelen goedkoper, logisch. Ook kijken we naar de mogelijkheden om werk met werk te maken zoals bijvoorbeeld het combineren van zandwinning met natuurontwikkeling. De natuur heeft tijd nodig om zich te ontwikkelen, te groeien. Het duurt even voordat je weer meer soorten en leefgebieden zult zien. Daarvoor staat door de bank genomen zo’n 5 tot 10 jaar. Maar deze natuur moet zichzelf blijven ontwikkelen, zodat bij natuurcalamiteiten er genoeg veerkracht is om toch een robuust of volledig systeem over te houden. De natuur is dus nooit “klaar”.
5. Al dat geld omdat een paar watervogels anders ergens anders heen vliegen? Wat is de uitgangssituatie? En wanneer is die gemeten? Is precies bekend welke soorten aan het verdwijnen zijn en of die bij verbetering van de natuur wel terug komen?
Vanwege de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die ook Nederland moet uitvoeren, zijn er in 2009 instandhoudingsdoelstellingen voor diverse soorten in het Markermeer en IJmeer geformuleerd. Juist omdat dit gebied Europees beschermd gebied is, is veel onderzoek gedaan naar soorten en hoeveelheden planten en vogels.
De uitgangssituatie voor de aantallen vogels is het moment van aanwijzen. Tot het definitieve moment van aanwijzen zijn de doelen zoals verwoord in het ontwerp aanwijzingsbesluit, de te hanteren doelen. De doelen zijn gebaseerd op vogetellingen in de periode 1999/2004. Dat is landelijk voor alle Natura2000 gebieden op dezelfde wijze gedaan.
Door Rijkswaterstaat worden al 25 jaar maandelijks de watervogels geteld. Vanuit deze gegevens is er een duidelijk beeld over de ontwikkeling van de aanwezigheid van de vogels in de afgelopen decennia. Duidelijk is dat vooral de viseters en de vogels die bodemdieren als schelpen eten de laatste jaren sterk achteruit gegaan zijn.
De achteruitgang van de vogels is vooral veroorzaakt doordat hun voedsel verdwenen is. Met de ingrepen van TMIJ komt er een divers nieuw voedselaanbod. Ervaring in bijvoorbeeld de Veluwerandmeren heeft aangetoond dat daarmee de vogels weer terug kunnen komen.
6. Waarom wordt het Markermeer-IJmeer steeds bij elkaar genoemd? Kunnen we die meren niet scheiden en van het IJmeer gewoon een recreatieplas maken tussen Amsterdam en Almere? Waarom zo moeilijk doen over de natuur of ecologie, we hoeven toch ook niet tussen de waterplanten te zwemmen?
Dat zou kunnen, maar er pleit wat tegen. Ten eerste is uit de Toekomstvisie IJmeer gebleken dat zowel om de natuur een “boost” te geven als om Almere eventueel buitendijks te laten ontwikkelen, een grote ruimte nodig is voor een plan waarin alle functies tot hun recht komen. Dan is het IJmeer niet genoeg, maar hoort het Markermeer erbij. Ten tweede is zo’n scheiding door het water niet bevorderlijk voor de natuur. Veel partijen zijn er om die reden pertinent tegen. Ten slotte kwam het Markermeer als het ware “vrij” toen het niet meer voor de Markerwaard hoefde te worden gereserveerd.
Variantenstudie
1. Gaat de Toekomstagenda Markermeer-IJmeer over buitendijkse bouw of de mogelijke aanleg van een IJmeerverbinding?
Nee. De Toekomstagenda biedt alleen een oplossing voor de ecologische achteruitgang van het gebied. In het Toekomstbeeld van TMIJ staat beschreven dat de mens eerst moet investeren in de ecologie en het water van het Markermeer IJmeer voordat er sprake kan zijn van enig ingrijpen. Dan wordt bijvoorbeeld gedoeld op stedelijke ontwikkelingen of ontwikkelingen die daarmee samenhangen, zoals een IJmeerverbinding tussen Almere en Amsterdam. Een stedelijke ontwikkeling als buitendijkse bouw bij Almere Pampus maakt onderdeel uit van de Schaalsprong Almere 2030 in het Masterplan Almere Pampus. De Schaalsprong is een ander Randstad Urgent-project. Een mogelijke IJmeerverbinding maakt deel uit van weer een ander Randstad Urgent-project, te weten de planstudie OVSAAL (Openbaar Vervoer Schiphol Amsterdam Almere Lelystad). Met beide projecten vertoont TMIJ raakvlakken. Over de integrale besluitvorming van deze samenhangende RU-projecten is eind 2009 een besluit genomen.
2. Hoe verhouden de deelgebieduitwerkingen zich ten opzichte van elkaar? De deelgebieduitwerkingen vormen samen het wensenpakket van de regio voor de ontwikkeling van het Markermeer en IJmeer.
Op basis van onder andere dit wensenpakket en het ontwikkelingsperspectief is het toekomstbeeld ontwikkeld. Daarbij is ook gekeken naar de samenhang tussen de deelgebieden en de effecten op de totale ecologie van het Markermeer en IJmeer.
3. a. Waarom moet er eigenlijk in het water worden gebouwd? Elders, achter de dijk, is toch ruimte genoeg?
Daar is een aantal redenen voor. Ten eerste de wens die leeft bij veel mensen om aan het water te kunnen wonen. Ten tweede om meer mee te kunnen doen in de internationale concurrentie door als economisch sterk gebied goede woonplekken voor medewerkers te creeren. Ten derde om Almere een gezicht aan het water te geven en niet te veroordelen tot één groot VINEX-veld. Om deze redenen heeft Almere als stad de wens om in het water te bouwen. TMIJ heeft onderzocht wat hiertoe de mogelijkheden zijn, maar doet geen uitspraken over de noodzakelijkheid of wenselijkheid van het bouwen in het water. Het kabinet en de gemeente Almere zullen hierover in 2014 definitieve besluiten nemen.
b. Welke plannen voor buitendijkse woningen zijn dat eigenlijk en waarom staan die er niet gewoon in?
Ook andere gemeenten, zoals Lelystad, hebben plannen om buitendijks te bouwen. Die zijn nog niet concreet en maken geen onderdeel uit van dit perspectief. Dit perspectief geeft slechts aan of en hoe buitendijks bouwen mogelijk is, niet of het wenselijk is.
4. Waar versterken recreatie en natuur elkaar en waar juist niet? Kunnen daar ook voorbeelden van worden gegeven?
Natuur en recreatie kunnen tot op bepaalde hoogte prima met elkaar worden gecombineerd. Dit is afhankelijk van de habitat in kwestie en het type recreatie. Zo kunnen luwtedammen langs de kust zorgen voor luwte en rust voor vogels, maar ook voor de kleine recreatievaart. Strandjes en landjes kunnen worden gebruikt door zonaanbidders maar vormen ook nieuwe land-waterovergangen. Idealiter maken vogels en mensen op verschillende momenten gedurende het jaar of gedurende de dag gebruik van deze gebieden. Er zijn ook gebieden die zo min mogelijk moeten worden verstoord. Zo verdraagt de vooroever bij de Lepelaarplassen geen verstoring en moet het medegebruik van het oermoeras worden beperkt tot de randen. Anders leveren ze niet de ecologische kwaliteit die verlangd wordt.
5. Waar spreekt het project TMIJ zich over uit, op welk abstractieniveau richt het traject zich?
TMIJ heeft samen met de regio de mogelijkheden voor gebiedsontwikkeling verkend, met het TBES (Toekomst Bestendig Ecologisch Systeem) als uitgangspunt. Tijdens de regiosessies is soms tot op het niveau van strandjes en aanlegsteigers gediscussieerd. Het resultaat van alle werk, het Toekomstbeeld Markermeer-IJmeer, beperkt zich tot de hoofdlijnen voor de toekomstige inrichting van het gebied: waar komen de maatregelen van het TBES? Waar is er ruimte voor recreatie en verstedelijking en welke randvoorwaarden en aandachtspunten spelen een rol bij de gebiedsontwikkeling?
6. Als je meer dan 5 hectare buitendijks wilt ontwikkelen, wat dan?
Het Rijk biedt in het Ontwerp Nationale Waterplan ruimte voor buitendijkse ontwikkeling. Aan ontwikkelingen groter dan 5 hectare wordt geen ruimte geboden. Voor Almere, Lelystad en IJburg wordt een uitzondering gemaakt.
7. Het Lepelaareiland. Waarom wordt het aangelegd en waarom komt het voor de Lepelaarplassen te liggen?
Vanwege zijn kunstmatige karakter ontbeert het Markermeer natuurlijke landwater-overgangen. Hierin wordt verandering gebracht door de ontwikkeling van het oermoeras voor de kust van Lelystad en de vooroever bij de Lepelaarplassen. De plek is niet toevallig gekozen. Door de aanleg van de vooroever wordt niet alleen de veerkracht van het totale systeem versterkt. Ook de vitaliteit van de Lepelaarplassen (N200-gebied) wordt versterkt. Dankzij de vooroever wordt de omvang en daarmee de vitaliteit van het gebied vergroot en wordt het voor vogels aantrekkelijker om te pendelen tussen de Oostvaardersplassen en Lepelaarplassen.
8. Moet er in de Hoornse Hop een golfbreker of een fysieke barrière komen en moet dit permanent of kan het ook tijdelijk?
Op dit moment is alleen duidelijk dat er een fysieke maatregel nodig is om het water in de Hoornse Hop weer helder te maken. In het kader van NMIJ (Natuurlijker Markermeer IJmeer) wordt onderzocht met welke maatregelen dit het best gedaan kan worden. Daarbij wordt ook antwoord gegeven op de vraag of de barrière tijdelijk of permanent moet worden.
9. Heeft een doorvaart door de dijk naar Marken effect op de ecologie?
De verwachting is dat een doorvaart door de dijk naar Marken een negatief effect heeft op de ecologie. Door de doorvaart komt er slib in de Gouwzee waardoor de kranswiervegetatie kan verminderen. De verwachting is gebaseerd op basis van modelonderzoek door Deltares en de actuele ecologische kennis.
10. a. Hoe zijn gewone burgers bij het project betrokken?
Burgers zijn benaderd via organisaties die de belangen van het gebied voor ogen hebben. Denk aan de Vereniging tot Behoud van het IJsselmeer of de Vrienden van de Markerwaard, natuurorganisaties, etc. In workshops hebben zij hun reflectie op de plannen en hun input gegeven. Via het SAMM-loket konden zijn bovendien hun eigen inrichtingsvoorstellen voor Markermer-IJmeer ontwerpen en indienen.
b. Waarom zijn gemeenten als Hoorn, Enkhuizen of Muiden er niet ook bij betrokken?
Via portefeuillehoudersoverleggen en soms ook bilaterale gesprekken zijn deze gemeenten betrokken. Daarnaast hebben ze hun directe lijn met de provincie, waarmee nauw contact wordt onderhouden. De gemeente Waterland is namens de Noord Hollandse gemeenten lid van het Samenwerkingsverband TMIJ.
Recreatie
1. Hoezo investeren in duizenden ligplaatsen in het Markermeer zoals in de recreatiestudie staat? Daar is helemaal geen behoefte aan want op dit moment is er sprake van 10% onderbezetting en hebben de haveneigenaren moeite om het hoofd boven water te houden.
Het Markermeer-IJmeer is één van de belangrijkste watersportgebieden van Nederland en ook van internationale betekenis. Uit een analyse van het huidig aanbod is naar voren gekomen dat het gebied momenteel ca. 8.000 ligplaatsen telt. Het huidig aanbod is niet toereikend getuige de lange wachtlijsten voor een ligplaats. In de periode tot 2030 wordt een groei verwacht van 3.000 - 5.000 ligplaatsen. Op lange termijn zal de vraag naar ligplaatsen toenemen als gevolg van de bevolkingsontwikkeling in de metropoolregio Amsterdam (de voormalige Noordvleugel) van 2.1 naar 2,5 miljoen mensen in 2030/2040.
Bron: ‘Ontwikkelingsbeeld Recreatie en Toerisme 2030 Markermeer IJmeer’
2. Wat is de recreatiestudie, een wensbeeld/marktvraag/minimaal wenselijke uitbreiding?
In het Ontwikkelingsperspectief Markermeer-IJmeer is gestoeld op de volgende ambities:
* ontwikkeling van een toekomstbestendig en veerkrachtig ecologisch systeem;
* klimaatbestendigheid en ruimte voor waterbeheer; o.a. zoetwatervoorraad en waterveiligheid;
* behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit;
* ontwikkelingsruimte voor wonen, werken, recreatie en infrastructuur.
Uit de quickscan Recreatie die gedaan is voor het ontwikkelingsperspectief, is een omvangrijke recreatiebehoefte gebleken. Staatssecretaris Huizinga heeft het samenwerkingsverband TMIJ verzocht om te bezien hoe met de uitwerking van het ontwikkelingsperspectief in deze behoefte kan worden voorzien.
De ontwikkeling van recreatie en toerisme in het Markermeer-IJmeergebied is daartoe als volwaardige sectorale pijler meegenomen in de variantenstudie. Daartoe is er een ‘Ontwikkelingsbeeld Recreatie en Toerisme 2030’ opgesteld, zodanig dat afweging met de andere pijlers mogelijk is en blijft.
De recreatiestudie is daarmee een sectorale visie en bouwsteen voor het integraal toekomstbeeld Markermeer-IJmeer.
3. Heeft de kredietcrisis invloed op de recreatieve wensen en ambities?
De recreatiesector ondervindt evenals andere economische sectoren de invloed van de huidige kredietcrisis. Er is sprake van een afgenomen consumentenvertrouwen en lagere bestedingen. Dit kan ook leiden tot groei van het binnenlandse toerisme en een afname van het inkomende toerisme vanuit het buitenland. Echter deze tijdelijke recessie neemt niet weg dat de (grote) bevolkingstoename vraagt om een (substantiële) uitbreiding van het recreatie-aanbod en om toeristisch-recreatieve voorzieningen in het Markermeer-IJmeergebied tot 2030.
Bron: ‘Ontwikkelingsbeeld Recreatie en Toerisme 2030 Markermeer IJmeer.’
4. Waarom worden er recreatie-eilanden voor de Oostvaardersdijk ontwikkeld?
In het voorkeursalternatief uit het ‘Ontwikkelingsbeeld Recreatie en Toerisme 2030 Markermeer IJmeer’ is een vooroeverontwikkeling voor de Oostvaardersdijk opgenomen met nieuwe relatief kleinschalige recreatievoorzieningen. Bij dit laatste gaat het niet zozeer sec om recreatie-eilanden maar om nieuwe vaarbestemmingen (ankerboeien, aanlegplaatsen) om de aantrekkelijkheid/beleefbaarheid van de Flevolandse kust te vergroten en de waardering voor deze grootschalige natuur te vergroten.
Ecologie en Waterpeil
1. Waarom ligt in sommige beelden een deel van het oermoeras in het IJsselmeer? Daar is toch geen slibprobleem?
Het moeras kan het beste aan beide zijden van de Houtribdijk liggen omdat het daarmee de ecologische relatie tussen de meren wordt versterkt. Daarnaast kunnen de dieren uit het oermoeras beide meren gebruiken als foerageergebied.
2. Wat is effect van een verdubbeling van de Houtribdijk op de ecologie?
Bij verdubbeling van de weg op de Houtribdijk zal er sprake zijn van toename van verstoring in het oermoeras. Het TBES beoogt dat het veerkrachtige systeem deze verstoring zelf op kan vangen. Hierbij ligt er wel een ontwerpopgave om de verstoring zo gering mogelijk te houden.
3. Leidt een seizoensgebonden peilbeheer tot meer kwel?
In het algemeen leidt een seizoensgebonden peil niet tot meer kwel. Dit komt doordat de kleibodem van het Markermeer slecht waterdoorlatend is. Locale effecten zijn wel mogelijk, maar worden zeer gering geacht Bron: ‘Quick scan seizoengebonden peil’
4. Waarom dek je het slib niet af door er zand op te spuiten door middel van onderzuigtechniek?
Voor onderzuigen geldt dat het materieel dat je hier voor nodig hebt dusdanig groot is dat het niet in het Markermeer kan om ook voldoende capaciteit te krijgen. De techniek van het afdekken van slib wordt door deskundigen als niet haalbaar geacht. De verwachting is dat het zand in de sliblaag wegzakt of dat de slappe sliblaag onder het zand uitgedrukt wordt.
Bron: ‘Advies NMIJ aan RAAM’
5. Als er buitendijks wordt ontwikkeld, dan mag het bergend vermogen toch niet worden aangetast?
In het Nationaal Waterplan wordt van dit principe afgeweken. Hierbij wordt concreet benoemd om welke arealen aan buitendijkse ontwikkelingen het gaat waarvoor geen waterbergingcompensatie verplicht is (Nationaal waterplan).
6. In welke mate mag de ecologie worden verstoord door mensen, hoe groot is de aanwezige ecologische ruimte?
Het TBES is er juist op gericht dat de ecologische kwaliteit dusdanig robuust wordt dat enige verstoring door mensen mogelijk is. Nooit mag de verstoring dusdanig groot zijn dat de instandhoudingdoelen van N2000 niet gehaald worden. Er is geen sprake van een ecologische ruimte die opgesoupeerd kan worden. Per project zal bekeken moeten worden wat de mate van verstoring is en of daarmee de critische ondergrens niet overschreden wordt. De aard en de locatie van het project als de staat van instandhouding zijn hierbij bepalende factoren.
7. Wordt het waterpeil in het Markermeer ook opgezet net als in het IJsselmeer?
Vooralsnog is de beleidslijn dat het peil in het Markermeer en IJmeer niet wordt opgezet. In het Nationaal Waterplan wordt aangegeven dat het Markermeer IJmeer een ander peil kan krijgen dan het IJsselmeer. Hierbij is de keuze gemaakt om de waterbergingsopgave voor de zoetwatervoorziening in het IJsselmeer op te vangen en het Markermeer als doorvoergebied naar midden-Nederland te gebruiken. In 2013 zal een peilbesluit genomen worden voor het IJsselmeergebied. Op dat moment zal hier een definitief antwoord op te geven zijn.
8. Wat is precies probleem van het slib?
Nu wervelt het slib rond in het water en slaat het zelden neer. Dat komt omdat het meer ondiep is, er vaak een flinke zuidwestenwind waait op het Markermeer en IJmeer en het slib sinds de aanleg van de Houtrib- en Afsluitdijk niet meer kan worden afgevoerd. In het Ontwikkelingsperspectief worden ook maatregelen genoemd om minder wervelend slib te krijgen, heldere plekken te maken, waar zich andere natuur kan ontwikkelen. Voor de maatregelen om het slibgehalte omlaag te brengen zijn nodig: een golfluwe zone in de Hoornse hop, slibputten en een harde rand (voor oermoeras en/of vooroever) om slib te kunnen storten.
9. Als het slibprobleem is opgelost, komt de ‘natuur’ dan wel terug?
Op afgeschermde plekken waar nu geen slib wervelt, zoals in de Gouwzee, zie je dat er meer speciale waterplanten groeien dan op de plekken waar het slib is toegenomen na de aanleg van de Houtribdijk. Daaruit kun je opmaken, dat op plekken met minder slib, meer kansen voor andere natuur liggen. Dit is een deel bevinding en een deel veronderstelling. Om dat laatste te toetsen is Rijkswaterstaat vorig jaar begonnen met de pilotstudie NMIJ (Natuurlijker Markermeer-IJmeer, vroeger de Natuurfabriek genoemd). Daarin worden al genomen natuurmaatregelen in het gebied bekeken op hun opbrengst. Van een aantal nieuwe maatregelen, genoemd in het Ontwikkelingsperspectief, worden proefprojecten opgezet en gemonitord. Daarmee doe je ook weer kennis op over wat werkelijk werkt. En de pilot maakt tegelijkertijd een begin met verbetering van de natuur. Dat is allemaal winst voor het gebied.
10. Met een moeras bij de Houtribdijk en de aanleg van rietkragen langs de kust wordt het slibprobleem toch ook opgelost? Waarom wordt dat niet alleen gedaan?
Het slibprobleem vraagt om een gecombineerde aanpak die bestaat uit het concentreren van de slibstroom in het midden van het meer en het creëren van een gebieden met helder water. Door het moeras zo vorm te geven dat de richting van de slibstroom wordt beïnvloed, verwachten we slib te kunnen concentreren in het midden van het Markermeer. Door golfdempende maatregelen en slibputten te ontwikkelen denken we op grote schaal gebieden met helder water te kunnen maken. Ten slotte blijkt ook uit berekeningen van het ‘slibmodel’, een driedimensionale computersimulatie van Deltares, dat het slibprobleem beheersbaar is.
11. Zelfs als de natuur wordt versterkt, dan is er toch altijd nog de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn die bouwen in het water verbiedt en ook de aanleg van een IJmeerverbinding frustreert? Hoe gaan jullie daarmee om?
Door te investeren in de natuur, zodat daar wat armslag komt en die natuur zichzelf een heel eind in stand houdt, kun je zorgen dat er meer natuur komt dan strikt genomen nodig is voor Natura 2000. De natuur wordt als het ware veerkrachtig genoeg om eventuele ingrepen zelf op te vangen. Hiermee wordt dus geen afbreuk gedaan aan de instandhoudingdoelstellingen, dus je komt niet terecht in de verboden van de Europese Vogel- en habitatrichtlijn.
12. Biedt die Vogel- en Habitatrichtlijn of Natura 2000 niet voldoende bescherming voor de natuurwaarde van het Markermeer-IJmeer? Wat is de verhouding tussen TMIJ en die Europese wetten en regels?
De Vogel en habitatrichtlijn bieden voldoende bescherming voor de natuurwaarde van het Markermeer-IJmeer. Zowel de vogel en habitatrichtlijn en TMIJ streven naar behoud van de biodiversiteit. De vogel en habitatrichtlijn geven hiervoor de minimale eisen om dit op europees schaalniveau voor elkaar te krijgen. Hierbij gaat het om bescherming van de soort. De TMIJ maatregelen wil de biodiversiteit vergroten door versterking van het systeem. Een veerkrachtig ecologisch systeem kan veranderingen opvangen, waardoor de soorten minder gevoelig zijn voor de veranderingen. Die veranderingen kunnen zowel door het systeem zelf veroorzaakt worden als door menselijk handelen.
13a. Wat zijn effecten van een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem op de randmeren?
De natuurgebieden in de wateren van het IJsselmeergebied vormen samen een groot Deltagebied. Het is moeilijk om te zeggen wat het precieze effect van de kwaliteitsverbetering in het Markermeer op de Veluwerandmeren zal zijn. Wel is duidelijk dat het functioneren van het Deltagebied als geheel er flink op vooruit zal gaan.
13b. Wat gaat er in de komende decennia gebeuren met het waterpeil in het Markermeer IJmeer?
In het (ontwerp) Nationale Waterplan dat eind december vorig jaar door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is gepresenteerd, wordt het waterpeil van het Markermeer IJmeer ontkoppeld van het IJsselmeer. Dat laatste kan een tot anderhalve meter hoger komen te liggen. Door het Markermeer - en ook de Veluwerandmeren - los te koppelen van het IJsselmeer, ontstaan kansen voor natuur en voor wonen en
recreatie in het buitendijks gebied. Het waterpeil gaat hier dus niet zoveel omhoog. TMIJ heeft een voorkeur voor wat wij noemen een “seizoensgebonden peilbeheer.”
13c. Wat is een seizoensvolgend peilbeheer?
Het seizoensgebonden peil volgt binnen de normen voor veiligheid het ritme van de grote rivieren. En is daarmee net iets meer natuurlijk dan het huidige peilbeheer in het Markermeer en IJmeer. Het komt erop neer, dat het water in het voorjaar hoger staat dan in het najaar en dat het hogere peil in de loop van de zomer “uitzakt” naar het lagere peil in het najaar. Dat heeft als voordeel, dat het water van de rivieren goed kan worden opgevangen in het najaar, maar ook dat er in de zomer voldoende drink- en zoetwater is voor het achterland. Omdat het net verschilt van het huidige peil, moeten de precieze gevolgen voor het achterland nog wel worden onderzocht in het vervolg. Voor de natuur vindt de regio het de beste optie.
14. We hebben toch al de Oostvaardersplassen als internationaal erkend wetland? Is dat niet voldoende? Moet het hele Markermeer-IJmeer, misschien ook nog met het IJsselmeer, nu een groot beschermd natuurgebied worden waarin niets kan, of mag?
Het Markermeer-Ijmeer en IJsselmeer zijn net als de Oostvaadersplassen al bestaande grote beschermde natuurgebieden. Het leuke van de meren ten opzichte van de Oostvaardersplassen is dat we er als mensen mogen recreëren; genieten van openheid en rust, zeilen, vissen, toerisme, en nog een aantal functies horen allemaal bij het gebied. Dit ontwikkelingsperspectief begint bij de natuur, maar is een integrale visie op het gebied: Het is een agenda om een integraal plan met ruimte voor alle functies te kunnen maken. En dat is belangrijk, want het is ook de grootste binnenzee van Nederland/Europa die de Noordvleugel van de Randstad leefbaar maakt. Die unieke kwaliteit moeten we blijven benutten, niet alleen voor onszelf maar ook voor onze internationale, economische, concurrentiepositie. Een stuk bestemmen voor de natuur is wezenlijk, maar het gebied gaat niet op slot.
15a. Wat wordt in het Ontwikkelingsperspectief bedoeld met natuurontwikkeling?
De natuurontwikkeling is meer dan het in stand houden van de huidige soorten en habitats. Ons voorstel betekent ruimte voor nieuwe natuur, ook andere soorten en het inzetten van nieuwe habitats: rekening houden met klimaatverandering, met flinke stormen en dynamiek; dit is toekomstbestendig. Een voorbeeld van zo’n nieuwe habitat/leefgebied en soort: een grootschalig moerasgebied waarin weer otters kunnen gaan leven.
15b. Is de visserij bij deze plannen betrokken geweest?
De visserij is betrokken bij de brede bijeenkomst van afgelopen februari 2009. De uitvoering van de maatregelen van het Ontwikkelingsperspectief heeft naar verwachting geen ongunstig effect op de huidige en toekomstige mogelijkheden van de visserij en beroepsvaart.
Beroepsvisserij
1. Hoe staat LNV tegen het inperken van de mogelijkheden voor beroepsvisserij
Voor het IJsselmeergebied maakt het ministerie van LNV samen met de sector een visstandsbeheerplan. Dit wordt afgestemd op de visstand die hoort bij een duurzaam ecologisch systeem.
2. Kan de beroepsvisserij groeien door de ontwikkeling van het TBES en wordt dit wenselijk geacht?
Dit zal afhangen van de ontwikkelingen die in het visstandbeheerplan geregeld gaan worden en de mate waarin het TBES daadwerkelijk bijdraagt aan een diverse vispopulatie en gezonde visstand.
3. Kan door het saneren van de beroepsvisserij het TBES al worden gerealiseerd?
Dit zal in het kader van het visstandbeheersplan bekeken moeten worden.
4. Wat betekent dat voor de recreant met een bootje en voor de beroepsvaart, zoals de visserij?
Er zullen voor recreanten meer mogelijkheden te vinden zijn in het gebied, als het aan ons ligt. Nieuwe vaardoelen, zoals jachthavens, meer aanlegplekken, beschutte ankerplaatsen. Maar recreanten zullen op sommige plekken de rust voor de natuur moeten respecteren. Voor de beroepsvaart is het uitgangspunt dat hetzelfde mogelijk is als nu.